Murk Lelsz
Murk Lelsz is geboren en opgegroeid in Koudum in het commandeurshuis aan het pad dat later naar hem genoemd is. Hij werd gedoopt op 28 december 1749 in de Koudumer kerk. Hij is de tweede zoon uit  het huwelijk van Lel Gerrits en Grietje Uylkes.
Murk trouwt op 19 april 1778 in de kerk van Koudum met Barber Baukes (geb. 1755 te Koudum).
Murk werd kapitein bij de koopvaardij. In 1808 voer hij op het schip "De snelle lastdrager" voor de rederij Adriaan Rogge in Zaandam.
Op 14 januari 1843 overlijdt Murk in zijn geboortedorp Koudum, 94 jaar oud.


Driemastfregat De Onderneming
van Murk Lelsz

Geboortehuis van Murk Lelsz
(tekening door Klaas Overzee 1947)

Scheepsbrieven van Murk Lelsz

Nazaten van Gerrit Lelsz en van zijn jongere broer Murk (1749-1843) zijn de samenstellers van het boek ‘Des Hemels Zegen, scheepsbrieven van Murk Lelsz 1803-1819’. De inhoud is gebaseerd op honderden geschriften en herschreven brieven in een kopieboek van een bekende en illustere Koudumer zeekapitein. 

Het zijn brieven, o.a. verstuurd vanuit Batavia, met beelden van wat oorlog of vrede betekent voor het dagelijkse leven van een zeekapitein. De nagelaten exemplaren zijn soms persoonlijk, dan weer zakelijk. Murk schreef ze aan zijn patroon en zakenrelaties, aan zijn kinderen, broer, zwager, aan vrienden en aan afgestapte passagiers, aan collega’s en aan ex-bemanningsleden. Het zijn brieven van een gevoelig mens die staat op een rechtvaardige behandeling. Emoties spelen een belangrijke rol. De correspondentie valt op te delen in drie perioden; die van de reis naar Java; die van de kapitein zonder schip die in Koudum klaagt over armoede en die van de periode van de reizen naar De Oost. Met dit boek is een aardig beeld van het leven te krijgen van een commandeur op het breekpunt van de VOC tijd en de nieuwe economische orde van de negentiende eeuw. 

In 1749, toen Murk Lelsz in Koudum werd geboren, waren de Hollanders experts op het gebied van scheepsbouw, zeevaart en koophandel. Het is glorietijd voor de Amsterdamse kooplieden die de wind in de zeilen kregen. Eind achttiende eeuw keert het tij en geven Engelse handelsoorlogen de koopvaardij de nekslag. Jaren zitten schippers (‘Onze middelen van bestaan zijn sober!’) brodeloos thuis. 

Als Murk in Koudum thuis zit, is hij inmiddels eenenzestig jaar en heeft hij alle oceanen al bevaren. ‘Ik heb niets anders geleerd dan varen’, schrijft hij in 1811. Pas in 1815 herstelt Nederland langzaam en komt er voor Murk weer licht aan het einde van de tunnel.

Murk Lelsz bracht zijn jeugd door in het kapiteinshuis aan het pad dat naar hem vernoemd is. De commandeurswoning, waarvan de fundamenten uit 1670 dateren, heeft karakteristieke geborduurde steenranden. Het pand werd in 1989 geheel gerestaureerd. Bij Murk’s geboorte (in 1749) is het huis in het bezit van zijn grootouders die in het voorhuis wonen, terwijl zijn ouders, vader Lel en moeder Grietje met hun twee kinderen in het lytshús hun thuis hebben. 

Na zijn huwelijk trekt Murk bij zijn vrouw Barber Baukes in. Zij woont op Litje Weste, aan de rand van Koudum (aan het eind van de Molenbuurt). Zijn schoonouders wonen in het voorhuis en Murk met zijn gezin in het achterhuis. In de periode van 1805 tot 1810 woont Murk met zijn vrouw en vijf kinderen in het voorhuis en zijn oudste zoon Lel met vrouw en kinderen in het achterhuis.

Halverwege de achttiende eeuw komen zeelieden uit de armere lagen van de bevolking. Daartoe behoorde ook Murk’s vader Lel Gerritsz. De povere vooruitzichten in Koudum met daaraan gekoppeld de geweldige mogelijkheden bij de koopvaardij, zullen hem en later zijn zoons Gerrit en Murk richting Amsterdam hebben gelokt. De jongens komen via hun grootvader in contact met de Zaanse rederij van de familie Rogge, waar ze beide -na waarschijnlijk een opleiding op een zeevaartschool- opklimmen tot gezagvoerder. In 1778 wordt Murk tot commandeur bevorderd. Aanvankelijk vaart Murk vooral binnen Europa. Het is bekend dat de gages op de handelsvaart binnen Europa hoger liggen dan op andere bestemmingen. Een riant inkomen gaf hem de mogelijkheid aandelen te kopen in schepen. Schippers van de koopvaardij zoals Murk en Gerrit, behoorden in het algemeen tot de plaatselijke sociale bovenlaag. Deze eer valt ook hen ten deel. Gerrit wordt later Schout in Koudum en Murk kerkvoogd. 

Murk Lelsz is de tweede zoon uit het huwelijk van Lel Gerritsz en Grietje Uylkes. Zijn voornaam komt uit de familie van zijn moeder. De naam Lelsz is dan geen achternaam, maar een z.g. patroniem, geeft dus aan van wie iemand een kind is. In 1811 neemt hij de achternaam Hofman aan en zijn broer Gerrit neemt de achternaam Lelsz aan. Mogelijk kiest Murk voor deze achternaam omdat hij dan al jaren thuis zit en geen andere bron van inkomen heeft dan zijn eigen grond. Veel mensen dachten toen dat het met die achternamen niet zo'n vaart zou lopen en als de Franse bezetter weer weg was alles weer als vanouds zou zijn. Maar de toen door de Fransen ingevoerde Burgelijke Stand en de nieuwe achternamen bleven toen Nederland weer vrij was. Murk overlijdt dus als Murk Lelsz Hofman. Nog steeds met het patroniem en met de aangenomen achternaam. De achternaam wordt, ook bij zijn kinderen, nogal eens als Hoffman geschreven.


Litje Weste

Onderdeel van http://nostalgisch.koudum.nl
Informatie uit het boek ‘Des Hemels Zegen, scheepsbrieven van Murk Lelsz 1803-1819’ en "Bulte Nijs".