|
Koudumse herinneringen
Regelmatig wordt er in het
"Nostalgisch album van Koudum" gevraagd om eens
herinneringen aan vroeger op papier te zetten en iedere keer denk
ik, ach die van mij zijn niet zo belangrijk. Vandaag bedacht ik me
opeens dat het alweer 68 jaar geleden is dat ik als 3 jarig
jongetje in Koudum kwam wonen. Mijn herinneringen zijn dus
inderdaad van een uitstervende leeftijdsgroep.
Mijn naam is Jan van de Water. Ik ben een halve
Fries. Mijn moeder, Jacoba Dijk geboren in 1911, was een dochter van
Willem Jans Dijk, zoon van een
molenaar/schipper uit Bergum en Hiltje Alkema, dochter van Ynte
Alkema, de eigenaar van de werf "Welgelegen" in Makkum.
Mijn vader was Albert van de Water geboren 1903 in
Welgelegen te Buitenzorg op Java. Hij was Officier van Gezondheid
bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. In 1939 verliet hij de
dienst om zich als huisarts te vestigen op de "Grovestins"
in
Koudum.
Ik weet nog wel dat dat
voor mijn ouders een enorme stap betekende. Het vrije leven in Indië
en nu naar een dorpje van, als ik mij goed herinner, 700 inwoners.
Toch hoorde ik van moeder (mijn vader is overleden in de oorlog)
alleen maar goede herinneringen. Vooral de naam Jan de Bos
viel vaak. Hij was een van de beste vrienden van mijn vader (ook een
beetje een buitenstaander) terwijl mijn grootvader en grootmoeder
Dijk van 1942 tot de brand op de
"Galamadammen" woonden (zij moesten hun huis in Den Haag
uit). Ik zelf kwam er dan ook heel vaak. Ook mijn andere
grootouders (Van de Water) kwamen in Koudum wonen bij ons op de
"Grovestins". Zij moesten ook den Haag verlaten van de
Duitsers. Tenslotte kwamen ook mijn tante met mijn neef en nicht om
dezelfde reden bij ons wonen, het werd een vol, maar gezellig huis
met 9 man.
Ik ben op 2 oktober jarig
en mocht daarom niet in 1942 naar de Openbare lagere school, ik was
te jong. Mijn grootmoeder heeft me toen thuis les gegeven zodat ik
in 1943 naar de tweede klas kon. Ik was dus wel altijd de jongste
en de kleinste. Er waren 2 klaslokalen, een voor de drie laagste en
een voor de drie hoogste klassen.
Uit deze tijd herinner ik
me dat ik speelde met Coby de Boer, van de manufacturenwinkel en
Betty Mensonides van de bakker (met heel veel suikerklontjes op
zolder). Ook Folkert Muizelaar (van de andere bakker) en Siepie (?),
zoon van het Hoofd van de Christelijke School. Ik speelde ook
vaak bij vriendjes die op boerderijen woonden, maar hoewel ik nog
precies weet waar deze boerderijen liggen kan ik me geen namen
meer herinneren. Ik denk nog altijd terug aan een prettige en
vrolijke jeugd en Koudum heeft nog altijd een warm plekje in mijn
hart.

Dit ben ik met mijn moeder voor ons huis
De herinneringen. Ik was
natuurlijk erg jong en het zijn losse flarden. Ik herinner me
bijvoorbeeld dat het zwempaviljoen van Jan de Bos begon te
verzakken vanwege de slappe grond. Besloten werd om het gewicht te
verminderen en het pannen dak er af te halen om het te vervangen
door een rieten dak. Wij jongens klommen voordat dit gebeurde op
het dak om de spreeuweneieren onder de pannen weg te halen. We
bliezen ze uit, regen er kettingen van en mijn moeder heeft een
omelet voor ons gebakken van een paar honderd eieren.
Ook herinner ik me dat er
een Engelse bommenwerper neerstortte links van de nieuwe weg (toen
de Slaperdijk) van Koudum naar de Galamadammen (Tjalke van der Walstraat). Een aantal omgekomenen liggen volgens mij op het
nieuwe kerkhof. De gevangen genomen overlevenden stonden
samen met Duitse soldaten bij de krater. Ook de brand in de
boerderij aan de Dammenseweg
tegenover het Gemeentehuis. Iedereen hielp om de inboedel naar buiten
te brengen. Toen de Galamadammen door de Duitsers in brand werd
geschoten met lichtkogels was ik er ook bij. Van mijn grootvader
moest ik me verschuilen achter de boerderij er tegenover. Ik weet
dat hij met de Duitsers stond te discussiëren over het vee dat nog
in de stal stond. Uiteindelijk mocht dat naar buiten gedreven
worden. Jan de Bos, die zich verderop in een weiland verscholen
hield, vertelde later dat dit het moment was dat hij begreep dat de
Galamadammen in brand zou worden gestoken.
Ik weet ook nog dat er wel
eens spanningen waren tussen de jongens van de Christelijke school
en die van de Openbare school. Ik woonde nu eenmaal achter de Christelijke
school en heb wel eens een lange omweg moeten maken om heelhuids
thuis te komen. Voor de kerk links, komend van ons huis, woonde een
schoenmaker, daar kochten we voor één cent pek om op te kauwen,
voorloper van de kauwgom. Er tegenover op, of vlak voor, de
hoek was een snoepwinkeltje, ook alles voor een cent.
Mijn grootvader (Dijk) zette
overal eendenkorven in het water. Eieren waren schaars en ik
herinner me nog de modderachtige geur die er aan de zelf gebakken
cake zat Toch hebben wij het nooit slecht gehad. Er was altijd
voldoende eten, soms uit de gaarkeuken (die stond bij de haven) en
niet altijd even lekker (geschifte roggepap!). Ik weet nog dat mijn
vader na een ziekenbezoek op een boerderij een stuk spek kreeg als
betaling. Dat was een buitenkansje. Ook had De Bos wel eens een
illegale slachting van een varken. We werden dan uitgenodigd om te
komen smullen. Ziek dat we geweest zijn, we konden niet meer
tegen dat vette eten. Mijn andere grootvader (van vaders
kant) die bij ons woonde was zeer gehecht aan zijn sigaretje. Hij
verbouwde zijn eigen tabak. De bladeren werden aan een draad
geregen en op zolder te drogen gehangen, een aparte geur. Zijn taak
was hout te zagen en te hakken voor de kachel, dat deed hij altijd
zeer bedachtzaam en rustig (hij was toen 77 jaar). Opa Dijk is ook
regelmatig Sint Nicolaas geweest in Koudum. Hij moest dan op een
paard zitten en door de Hoofdstraat rijden. Maar om op zo'n paard
te zitten vond hij maar niets, het moest goed vastgehouden worden.
De winters waren anders dan nu. Er was een winter (1942 ?) dat we het huis alleen uit konden
via de achterkant. Aan de voorzijde lag de sneeuw tot de dakgoot.
Als je binnen zat zag je een witte muur voor het raam. Als
ik 's ochtends wakker werd was de deken bevroren en ook het water
in de lampetkan. Omdat er op een gegeven moment niet genoeg
brandstof was voor het gemaal van Lemmer stonden de weilanden in
de Zuidwesthoek allemaal onder een paar centimeter water. Het
resultaat was dat we snel konden schaatsen (en zakte je er door,
was je nat tot de enkels).
Het einde van de oorlog was
voor mij het moment dat ik vanuit ons huis de Nederlandse vlag op
de kerktoren van Hindeloopen zag. In Koudum reden toen nog de
Duitsers. Voor ons huis rechts in een weiland sloegen de Canadese bevrijders
hun kamp op. Toen ze vertrokken waren vond ik daar een
"spaarpotje". Ovaalvormig met een beugel en een spleet
erin (voor de centjes?). Toen ik er mee thuiskwam stak mijn
grootvader zijn handen in de lucht en riep "Grote God, een
handgranaat". Voorzichtig heeft hij mijn spaarpotje ingeleverd
bij de politie die er ook niet echt blij mee was. We vonden ook
veel geweerpatronen. Met prikkeldraad maakten we de hulsrand wat
wijder en haalden zo de staafjes kruit er uit. Dat staken we dan in
brand. Voor zover ik weet is er nooit iets gebeurd. In 1945 hebben
we Koudum verlaten. Mijn vader was toen overleden (Herre Kingma
heeft nog een aantal maanden als tijdelijk plaatsvervanger van
mijn vader als dokter gewerkt. Hij is later naar Canada geëmigreerd).
Ik heb nog een verhaal wat
ik graag kwijt wil. In 1959 (ik zat bij de Marine) jaagde ik veel in
Nederlands Nieuw-Guinea. Ik voer op Hr Ms "Overijssel" en
had aan boord een vast jagersmaatje, een korporaal -konstabel.
Op
een geven ogenblik liepen we samen tot ons middel door het water
in een vloedbos langs de kust van een van de vele eilanden, toen we
over Friesland begonnen. Hij vroeg mij waar ik in Friesland gewoond
had en ik antwoordde dat hij nog nooit van dat dorp gehoord had.
Wat bleek, hij kwam ook uit Koudum! Als ik mij goed herinner woonde
hij rechts van de Tjalke van der Walstraat (richting Galamadammen)
en hadden ze kassen of een tuinderij. Helaas zijn naam kan ik me
niet meer herinneren, maar misschien leest hij dit of wordt hij
herkend op onderstaande foto. Met de witte pet dat ben ik.
Het is uiteindelijk nog een
lang verhaal geworden met allerlei losse fragmenten.
Jan van de Water
(W. J. Dijk was o.a. schoolmeester te Makkum en de
bekende etser en tekenaar,
die het boek "De schoonheid onzer binnenschepen"
schreef. HdJ)
|