De
tuinderij en het huis van Lútsen Smits aan de Nieuweweg. Het huis is volgens Koopmans
gebouwd in 1924 en in 1983 afgebroken. Ongeveer op deze plaats kwam
later het Assurantiekantoor J.A. Hoekema. Lútsen (Luitje) Smits is een
zoon van Sibbele Smits (geb. 31 januari 1873) die genoemd wordt in het
boekje van Sipke Feenstra. Sibbele was weer een zoon van Luitje Smits en
Lammigjen Kruis. Voor iemand uit die familie heb ik het
gedeelte wat daarover gaat in het Nederlands vertaald. Hieronder volgt
de vertaling. (foto uit eigen archief; fotograaf onbekend)
Uit:
"Koudum yn myn bernejierren" [1969]
Door: Sipke Feenstra
Bundeling van verhalen die daarvoor Balkster Courant hadden gestaan.
Vertaling uit het Fries.
Bladzijde 72
Tsjamke had, zo goed als ik weet, vijf kinderen. Twee meisjes Hieke en Jetske en drie jongens, Geert, Pieter en Gerrit. Nu dan over Gerrit. Hij was een grote waaghals, zoals men dan zegt, en een echte kwajongen, maar iedereen mocht hem graag.
Toen gebeurde het eens in het voorjaar op een zondagmiddag dat het hele dorp in rep en roer was. Er was een jongen zoek. Sibbele van Lútsen's Lam. Hij was s'morgens vroeg de deur al uitgegaan en
tegen het middaguur, toen het zo langzamerhand etenstijd werd, was hij er niet en niemand had hem gezien of wat van hem gehoord. De hele buurt stond op stelten. Overal werd gezocht, maar nergens een spoor, tot een paar mannen daar bij de Var bij de vuilnisbelt een klomp zagen drijven en toen een van de buurjongens zei, dat is de klomp van Sibbele, toen werd het alleen maar erger. In een paar bootjes en op de wallekant werd met al het bruikbaar gereedschap door verscheidene mensen naar Sibbele gevist. Allemaal mensen natuurlijk. Lútsen, de vader vooraan.
Toen tussen al dat volk trok iemand hem aan de jas. Toen hij omkeek was het Sibbele.
"Ik ha twa, heit", zei hij erg triomfantelijk, en haalde de pet van zijn hoofd, waar hij twee kievitseieren in had. Hij was s'morgens in zijn eentje gaan eierzoeken en had natuurlijk nooit aan de tijd gedacht. Er werden toen door enkele van die mensen natuurlijk rare woorden gezegd, maar Sibbele had twee eieren en Lútsen had zijn zoon terug en beide waren erg op schik.
Dat zaakje geraakte zo langzamerhand natuurlijk in het vergeetboek, maar Gerrit kwam er nog een keer op terug. Dat zat zo. In school hadden wij onder de andere leerboeken ook de zogenaamde "Tijdtafel". Dat waren dan jaartallen met er achter wat er in dat jaar voor belangrijks was gebeurd. Zoals: 1572 Inneming van de Briel, of 1711 Johan Friso verdrinkt bij de Moerdijk en zo. Ik weet niet of deze feiten precies met de jaartallen overeenkomen, want om eerlijk te zijn, ik had altijd een verschikkelijke hekel aan dat spul en was er ook maar slecht in thuis, maar zo was het ongeveer. Dit was dan, voor zover ik weet, voor de hoogste klassen en wij hadden het dan ook op de avondschool en daar ging Gerrit dan op de winterdag ook naar toe. Hij was een paar jaar ouder dan ons en wij hebben ons vaak erg vermaakt om wat hij soms durfde uit te halen. Ook meester kon veel van hem hebben. Toen op een avond, wij hadden eerst rekenen gehad en toen moesten de "Tijdtafels" uit het vak komen. Twee aan twee kregen wij zo'n boekje voor ons en moesten dan om de beurt een paar van die jaartallen oplezen. Meester las dan de namen op. Het ging die avond als van een leien dakje. De meesten hadden al een beurt gehad toen meester zei: En nou jij Gerrit. Toen kwam het. Eerst een paar goed, zoals 1565 Verbond der Edelen, Brederode en toen:
1883 Sibbele van Lútsen's Lam verdrinkt bij de Jiskepôle. Wij stikten bijna. Niemand kon zich inhouden en meester wist niet hoe hij het aanpakken zou. Hij werd eerst vuurrood (om het hoofd) maar toen zei hij, zo streng als hij maar kon: Laat eens zien dat boekje van jou. En ja, daar stond het met potlood bij geschreven. Meester nam een gummetje en stufte het uit.
En nu jongens, zei hij, nou gaan we verder, Gerrit was abuis. Sibbele leeft nog gelukkig en ik raad Gerrit aan zich niet weer zo schromelijk te vergissen, want dan worden we kwade vrienden en dat wil ik liever niet. Ja, onze meester was een verstandige man. Heel lang hebben wij als jongens ons nog kostelijk vermaakt over de grap van Gerrit.
|