|
Drie lijken te
gelijk op het kerhof !
Met dit woord begroette ik
gistermorgen de schare, die als naar gewoonte op den rustdag des
Heeren in het huis des gebeds was samengekomen.
Drie lijken te gelijk op het kerkhof! dit hartverscheurend tooneel
was den vorigen dag door ons dorp aanschouwd, een tooneel 't welk
ieder oog bevochtigde en ieder hart deed schokken.
Een zware ramp heeft "de Zuidwesthoek van Friesland"
getroffen, bijname de Gemeente "Hemelumer Oldephaert en
Noordwolde."
Onder de ongelukken door de jongste storm veroorzaakt, behoort ook
het zinken van de Stoomboot Willem III, varende van Sneek op
Stavoren. Reeds dinsdagavond 30 januarij jl. gezonken, kwam eerst
den volgenden morgen redding opdagen; maar helaas niet allen konden
meer worden gered! Reeds 14 ongelukkigen hadden den dood in de
golven gevonden of waren op het wrak van de boot door het slaan der
golven bezweken.
Van die 14 slagtoffers waren er 11, inwoners dezer Gemeente; van die
11 werden er Zaterdag 5 in het naburige Oudega en 4 op ons dorp ter
aarde besteld.
Reeds om 10 uur 's morgens verkondigde het klokgebrom, het wel
doorvlijmend woord: de eerste der slagtoffers zal grafwaarts worden
gedragen.
Lang was de lijkstoet en zwaar was de rouw, die op aller aangezicht
was te lezen. En geen wonder! een jongeling krachtvol en schoon,
werd in den grafkuil nederlaten; een jongeling vol levenslust en
levensmoed, en toch reeds het eerste van allen bezweken; nog niet
lang was de boot gezonken of Siebold Wiersma was een lijk. Stof tot
spreken was er in het klaaghuis dan ook wel, jammer, dat we maar al
te spoedig moesten afbreken.
Kwart voor een werden we elders geroepen; drie huisvaders,
slagtoffers van dezelfde ramp zouden op den akker der dooden worden
bijgezet. Drie lijken achter elkander, drie families, drie
lijkstaatsies naast elkander! nooit was de droefheid zoo
algemeen. Wie zou niet schreien bij het zien van zulke zwaar
beproefde weduwen, bij de gedachte aan zóóveel wezen, bij de
herinnering aan zulk een hartverscheurende ramp.
Ieder is er vol van, op ieder maakt het indruk, geheel ons dorp,
geheel de Gemeente is in rouw. Hoe lang zal ze duren, hoe diep zal
ze zijn? Dit is alleen den Kenner der harten en proever der nieren bekend.
Op smartelijke wijze is ons gepredikt, dat ons leven slechts een
damp is en dat de dood ieder uur wenkt, bij vernieuwing ons geleerd,
dat op zijn wijsheid en sterkte niemand kan bouwen.
Hoe gelukkig dan de mensch, wiens sterkte de Heere is, die Jakobs
God ter hulpe heeft. Dan behoeven we voor den dood niet te
schrikken, om het even of wij hem dan vinden op ons bed of in de
golven. Indien Christus ons deel is, dan zullen we met Hem leven,
leven, tot in alle eeuwigheid.
Hoe schrikwekkend is echter de toekomst, voor hem, die nog leeft in
de zonde of nog steunt op zijn deugd! Waarmee, mijn vriend, zult gij
voor God verschijnen? Uwe steunsels zijn staven die u de handen
doorboren en uwe vreugde vergaat in een eeuwige droefheid.
Zendt God u zijne roepstemmen, wilt gij er toch naar horen want op
het verharden tegen God heeft nog nooit iemand vrede gehad.
En wilt ge vrede, ware, goddelijke vrede?
Zoek dan vergeving bij God in Christus, die "om zondaars te
redden den hemel verliet", en die het meermalen heeft
uitgesproken, dat Hij bereid is te ontvangen een ieder, die tot hem
komt.
Kom dan tot Hem, die bij 't naderen van den dood uitkomst geeft, en
na den dood schenkt het eeuwig zalig leven. Koudum,
5 Febr. 1877 E.
KROPVELD Uit: De Bazuin (XXV no. 6 van 9 februari 1877) |