|
Ds.
H. Bakker (geb. 1875 te Leeuwarden) was Ned. Hervormd predikant in Wyckel en
Woudsend voordat hij in 1909 in Koudum beroepen werd. In
1914 vertrok hij naar Amsterdam.
Daar schreef hij in 1939 het boek:
Nu ik veertig jaar dominee ben...
(uitg. H. Veenman & zonen te Wageningen)
Het deel van het boek waar hij zijn Koudumer tijd
beschrijft is hieronder weergegeven. |

Ds. H. Bakker
|
Zoo vertrok ik dan naar Koudum,
waarvan een mijner Woudsenders mij had gezegd: "Tink er om,
domeny, det is 't earmhûs fen Fryslân". Inderdaad,
daarvoor stond Koudum eertijds bekend. Teveel arbeiders naar dat
er boeren woonden; te weinig werk en te weinig verdiensten. 'k
Heb er echter nooit last van gehad.
ZONDAGSKINDEREN
Wanneer ik je naam hoor, Koudum, dan rijst een idylle van vijf
gelukkige jaren in een typische dorpspastorie temidden van een
vriendelijke dorpsgemeente voor mijn geest. We zijn in Koudum
Zondagskinderen geweest.
Hoeveel pijn het ook deed de banden aan de Woudsender gemeente
te verbreken, Koudum was een pleister op de wonde. Begin Juli,
wanneer heel de natuur om Koudum heen, de velden, de lanen, het
meer, bovenal de wijde stralende luchten van het Friesche
landschap een loflied schijnen te zingen ter eere van den
grooten Schepper aller dingen, kwamen wij met „hutje en
mudje" in onze nieuwe woonplaats aan.
Dat was een andere inkomst, dan we vijf jaren later, in de maand
Maart, in het groote en toen nog zoo vreemde Amsterdam zouden
hebben. Ouderlingen, diakenen en kerkvoogden, ook hun
respektieve ega's waren voor de ontvangst present, opdat de nog
leege pastorie ons niet te weemoedig stemmen zou. In een der
kamers was wat gezelligheid aangebracht; daar stond de thee met
overvloed van Friesche zoetigheden klaar. En wanneer we uit ons
rijtuig stapten - 't was maar een uurtje rijden van Woudsend -,
traden deze hartelijke menschen op ons toe, staken ons beide
handen toe, spraken er hun blijdschap over uit dat we nu in hun
midden waren en leidden ons naar hun geïmproviseerde
ontvangkamer.
En nu was 't een vragen, een vertellen, een opgewektheid en
vroolijkheid; we waren direkt thuis. Zoo duurde dat een half
uurtje en toen verdwenen ze; wij konden met de installatie
beginnen. 
De pastorie (huize De Kamp)
Mijn eerste gang was naar den
tuin. Want Koudum had aan alle kanten om de pastorie een
uitgestrekten tuin: waar geboomte, slingerpaden, bloembedden,
een broeikas en vruchtboomen om van te watertanden! Tot zelfs de
"bon Chrétien" groeide in den boomgaard, een edele peer
wanneer ze rijp is, maar voor dien een onaanzienlijke, bonkige
vrucht die niet veel verwachten doet. Heeft de Franschman bij
het uitdenken van dezen naam overeenkomst tusschen het een en
het ander gezien? Dan is zijn kijk op het Christelijk geloof
niet zoo kwaad geweest. Een ware lusthof was onze tuin.
In dit opzicht waren we trouwens niet verwend, want de tuin der
Woudsender pastorie lag op het Zuid-Westen. De wind kwam daar,
over het meer uit de eerste hand aangewaaid. Bovendien was de
grond bitter slecht door al het puin dat men gemakshalve bij het
bouwen der pastorie er maar had gedeponeerd.
Ik heb dan ook met grooten weemoed van den pastorietuin in Koudum afscheid genomen. Twee dingen waren er die mij slechts
met dit afscheid verzoenen konden. Allereerst de wetenschap, dat
we in Amsterdam de groente zouden eten die wij verkozen, terwijl
ons menu in Koudum maar al te veel gebonden was aan groenten die
aangegrepen door de snelheidskoorts van onzen tijd, wilden
uitschieten. In de tweede plaats was het een geruststellende
gedachte, dat we voortaan niet meer aan brommende kritiek van
onzen tuinman zouden bloot staan. Want met alle respekt voor den
ijver van "Jan túnman", hij was geen gemakkelijk
heer; hij verbeeldde zich bij tijden, dat hij de heer was en ik
de knecht; ik heb hem dit altijd vergeven; de man was met den
tuin oud geworden. Maar een inconvenient was 't.
Zoo ziet men, geen rozen zonder doornen. Niettemin voelden wij
ons rijk en gelukkig met onzen pastorietuin. In het najaar werd
ons een weelde van de fijnste vruchten in huis gedragen. Hoe arm
kan men zich dan voelen wanneer men daarna als een vinkje in een
kooitje, op een Amsterdamsch bovenhuis verzeilt. Ik kon wel
schreien, toen in de eerste weken nadat we in de groote stad
waren aangeland, een van de kinderen met een stekje thuis kwam
en ik niet eens zooveel aarde bezat om er een bloempot mee te
vullen.
Zooals de tuin was, was ook het huis. Ze pasten bij elkaar, die
tuin en dat huis. Oorspronkelijk was 't een villa geweest,
"de Kamp"
geheeten; toen er voor een mijner
voorgangers, Ds Tinholt, een nieuwe pastorie moest komen, hadden
kerkvoogden de wijsheid gehad deze villa aan te koopen. Ik heb
er nooit spijt van gehad, evenmin als een mijner voorgangers. Nu
is ook deze pastorie van den aardbodem verdwenen. Evenals de
muren mijner eerste pastorie gevallen, zijn, zijn ook de muren
mijner Koudumer pastorie gevallen al is het niet geweest evenals
de muren van Jericho op de klank der bazuinen. 't Is wel een
aardig villa'tje dat men er voor in de plaats heeft gezet; maar
dat schilderachtige, gemoedelijke van het oude witte huis is
verdwenen. Het is niet alles mooier wat de nieuwe tijd brengt,
al ben ik niet van plan een lofzang op den "goeden, ouden
tijd" aan te heffen.
Nergens hebben we ruimer huis, gezelliger kamers en
vriendelijker uitzicht gehad dan in Koudum. Zes ramen naar den
kant van den weg gaven ons uitzicht op al wat passeerde, dat is
goud waard in het dorpsleven, bij tijden eentoniger dan een
mistige dag.
Vanuit mijn studeerkamer kon ik altijd wat mij bezoeken, soms
ook lastig vallen kwam, bijv. reizigers in stoffelijke of
geestelijke waar, vooruit bestudeeren.

Het "aardige villa'tje"
Ik werd nooit overvallen zooals
mij dat in Amsterdam wel gebeurt. Dan dient zich beneden aan de
trap - 36 treden hoog + 18 treden naar de bovenste etage waar
mijn studeerkamer ligt - bijv. iemand aan die den dominee
noodzakelijk moet spreken; hij wordt gezonden van collega die of
die. Zit de snuiter eenmaal tegenover je in een gemakkelijken
stoel, dan probeert hij met benijdenswaardige vrijmoedigheid en
bespraaktheid je een stel potlooden of een boek papier aan te
smeren, dat naderhand van minderwaardige kwaliteit blijkt te
zijn. Zooiets overkwam mij in Koudum niet.
Het was in een woord een ideaal huis. We hoefden er geen trappen
te klimmen; alle kamers waren beneden behalve de logeerkamer en
het vertrek onzer dienstmaagd. We hebben er heerlijke jaren
doorleefd, terwijl de Heere God ons bovendien met kinderen
verrijkte. Met twee, een meisje en een jongen, kwamen we de
pastorie binnen; met vier, twee gezonde meisjes en twee dito
jongens, trokken we na vijf jaar de pastorie weer uit. Koudum
was een Bethel.
Er is maar een nacht geweest, dat we in onze Koudumer pastorie
hebben gesidderd en gebeefd. Doch dat was de schuld van die
pastorie niet. Zoo'n nacht had ik nog in mijn leven niet gehad
en zulk een nacht is daarna ook niet meer aangebroken. Dat was
na een zoel-zwaren zomerdag die geen verkwikking had gebracht.
De temperatuur was geweest als in Soerabaja. Ternauwernood
hadden we ons ter ruste begeven of daar brak het lang verwachte
onweer los. Geweldig! Zeg gerust: Amerikaansch! Wanneer er
onweer was, stonden we geregeld op. Dan werd ieder gewekt.
Daarvoor woonden we buiten. Zonder tusschenpoozen volgden de
slagen elkaar op. 't Was of de eene toren na den andere boven
ons hoofd met donderend geweld ineenstortte. Onze dienstmaagd,
waarvan ik in gedachten altijd zei dat ze niet van vleesch en
bloed was, maar uit mahoniehout gesneden - nog nooit had ik
eenige aandoening bij haar ontdekt - schreide. We waren diep onder
den indruk. We wisten dat het gevaar aan alle kanten dreigde.
Dan verzekerd te zijn dat er Een in, die Zijn beschermende hand
over ons houdt uitgebreid geeft rust. Wij werden gespaard; en
ons huis met ons. Den volgenden morgen konden we ons dan ook
overtuigen hoe erg het geweest was. Op verschillende plaatsen in
ons dorp was de bliksem ingeslagen. een boerderij was afgebrand.
In onzen tuin lag een boom in tweeën gespleten door den bliksem
geraakt. Een onzettende nacht in een woning, waarin wij zooveel
rust en vrede hebben genoten.
'n Ideaal-huis! Zoo had een mijner voorgangers, Ds Tinholt, de
man die in de spannende Doleantiedagen van 1886 in de Synode zat
en na een der zittingen plotseling overleed, ook geoordeeld. Hij
had er bijzondere reden voor. De pastorie had een plat dak; en
daar hij een geleerd man was die ook voor sterrekunde
liefhebberij had, bracht hij op het dak menigen nacht door. Soms
met zijn vriend Stegenga, vader van den tegenwoordigen professor
in Amsterdam. Op dit punt stemde deze met zijn pastor overeen.
Dan bestudeerden ze in heldere nachten die wondere wereld, zich
boven onze hoofden welvende. Op het dak mijner pastorie ben ik
echter nooit geweest. Ik ben met mijn voeten op den grond
gebleven.
En dit huis en deze tuin en dit dorp lagen in een van de mooiste
streken van Friesland, op een uitlooper van den Hondsrug, in de
nabijheid van de Gaasterlandsche bosschen en het Mirnser klif.
Bovendien lagen we aan het spoor. In een tijd, dat we nog niet
van autobussen wisten, een weelde. Ik kon dus gemakkelijk vader
en moeder in Leeuwarden bezoeken. Een heerlijkheid, zoo
geriefelijk en zoo vlug het ouderlijke huis te kunnen bereiken.
Toen na twee jaar mijn vader stierf, bezocht ik moeder die
eenzaam achterbleef - mijn zuster, in Wyckel mijn huishoudster
en gezelschap, was inmiddels getrouwd met Ds J. Willemze en naar
Groningen verhuisd - vrijwel geregeld om de veertien dagen.
Gouden tijd!
'N MODEL-KERKERAAD
4 Juli 1909 deed ik des middags intree, na des morgens door den
consulent, Ds Norel van Hindeloopen, de tegenwoordige
predikant-direkteur van het Diakonessenhuis in Amsterdam, te
zijn bevestigd. I Corinthen 1 : 23 en 24 was mijn intreetekst:
"Doch wij prediken Christus den gekruisigde, den Joden wel
een ergernis en den Grieken een dwaasheid, maar hun die geroepen
zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht
Gods en de wijsheid Gods."
Dat verstond de gemeente, ofschoon ook in Koudum evenals in mijn
eerste gemeente enkelen waren die meer leefden uit het
oud-liberale beginsel van den goeden mensch die trachten moet
over de steilten van eigen zwakheid heen te klauteren en zoo den
hoogen top der volmaaktheid te bereiken Maar het meerendeel wist
dat de poging van den zondigen mensch om op te klimmen tot den
heiligen God, Sisiphusarbeid is; dat daarentegen God de Heere
door Zijn Zoon en in den H. Geest moet nederdalen tot ons, zal
er ooit van waarachtige verlossing der zonde sprake zijn.
Van deze overtuiging was mijn Koudumer kerkeraad diep
doordrongen Deze mannen wisten in Wien zij geloofden; onder hen
waren er die geleerd hadden, mede door den gefundeerden arbeid
mijner voorgangers - ik noem Dr J. Schokking, nu lid van den
Raad van State en Ds Briet die van Koudum naar Utrecht vertrok
en daar nog arbeidt; ook mag ik Ds de Stoppelaar, mijn
onmiddellijken voorganger, niet vergeten, die Koudum voor
Vlaardingen verwisselde en helaas! nog in de kracht zijner jaren
door den dood werd weggenomen uit den arbeid die hem lief was;
dit waren mannen die in Koudum niet alleen hebben gepreekt en
gecatechiseerd, maar in de bloeiende afdeeling der
Confessioneele Vereeniging de leergierigsten en besten der
gemeente hebben onderwezen in de Belijdenis der vaderen en
daardoor vasten grond hebben gelegd in de gemeente, de Kerk niet
alleen te zien als instrument om de hemelboodschap aan
stervelingen bekend te maken, maar, gelijk de H. Schrift het ons
voorhoudt, te eeren als het lichaam waarvan Jezus Christus het
Hoofd is. Daarom hadden ze de Belijdenis der vaderen ook lief.
Ze hingen niet aan den term of de formule. Ze wisten heel goed
dat de waarheid zich heeft te kleeden in het gewaad van den
tijd, evenals een Dr Hoedemaker zich niet stak in de kleedij van
vader Cats; ze verlangden de prediking des Woords in de taal en
naar de behoefte van onzen tijd. Maar het moest dan ook
inderdaad het Woord van God, ons geopenbaard in de Schriften van
Oud- en Nieuw Testament zijn. Daarvan mocht geen tittel of jota
worden afgedaan. Dan vroegen zij een evangelie der Schriften en
niet der tijden.
De kerkeraad van Koudum kon er dus wezen. Met eere en
toegenegenheid noem ik hier hun namen: Jacob v. d. Veer, de
nestor, Jacob Kramer, meester van Dijk, onze hoofdonderwijzer,
Jaring Bajema, en de diakenen Jan Klijnstra, Jan Molenaar,
Pieter Hoekstra en Foppe de Jong. Menig uur heb ik met meer dan
een van deze mannen gediscussieerd over Kerk en Staat; leerzame
uurtjes. En altijd weer trof mij hun groote liefde tot onze
oude, aangevochten Kerk, planting des Heeren, die ondanks
allerlei gebreken, niet mag worden verlaten, zoolang de Heere
Zelf haar den rug niet toekeert. Helaas maar een enkele van hen
is nog in leven; de meesten heeft God opgeroepen; sommigen in
het midden der jaren.
Aan werk ontbrak't in Koudum niet. Behalve mijn beide
Zondagsdiensten, altijd weer voor hetzelfde goed luisterende en
goed onthoudende gehoor, had ik in najaar en winter bij lichte
maan des Woensdagsavonds ook nog Bijbellezing; wederom in onze
ruime, lichte kerk. En was het weer goed, dan kwam de gemeente
trouw op. Neen, 't was er geen sinecure. Maar het arbeidde in
Koudum licht, omdat men niet veeleischend was! Daarbij was de
gemeente eensgezind; malcontenten ontmoette ik haast niet.
Wat ook een factor van beteekenis in het dorpsleven is, met de
Gereformeerden konden we wondergoed opschieten; zelfs kwamen ze
Woensdagsavonds wel in mijn Bijbellezing. Aan deze broeders kon
men merken, dat ze van 1834 waren, evenals hun voorganger, Ds de
Walle, een man, die ruim genoeg van blik was om over de muren
van zijn kerk heen te zien. Met elkander zaten we in het bestuur
der Christelijke School; op schoolgebied gingen we samen. Nooit
hebben we in die vijf jaar elkaar prikkels en nagels in het
vleesch geslagen. Het eene jaar was Ds de Walle voorzitter; het
andere jaar de predikant der Hervormde gemeente. Dat liep op
rolletjes. De beste herinneringen bewaar ik aan mijn derde
gemeente. Dat waren rijkgezegende en gelukkige jaren. Het beekje
kabbelde ongestoord voort; de zon scheen in het water; wij zaten
aan den kant en verheugden ons in stilte over onzen rijkdom.
VOETANGELS EN KLEMMEN
Of dan mijn rust wel niet eens verstoord werd? Of er dan
heelemaal geen moeilijkheden geweest zijn? Wij waren menschen en
leefden onder menschen.
Kijk, dan denk ik aan mijn huisbezoek bij een van de oudste
leden der gemeente. Een man van groote kennis en rijke ervaring,
was koopman, maar met een professoralen kop. Tegen dat bezoek
zag ik altijd weer op. Niet omdat ik ook maar eenige kans liep
er onheusch behandeld te worden. O neen! maar er wrokte en mokte
wat in dat menschenhart. Er was om een onrecht, gewaand of niet,
lang voor mijn tijd aan hem begaan, veel bitterheid in zijn
binnenste; en wanneer de dominee dan tegenover hem zat in zijn
huiskamer, borrelde die bitterheid weer naar boven. Helaas, ik
heb hem niet anders ontmoet dan als een die zich miskend en
verongelijkt achtte. Menschelijke eigengerechtigheid en hoogmoed
speelden dezen knappen man parten. Hij is zeer oud geworden. Dat
hij in zijn dood de rust gevonden moge hebben die hij onder de
menschen maar niet kon vinden. Moeilijkheden? Dan staan mij weer
de bezoeken voor oogen, gebracht bij twee oude dames, die altijd
op het dorp hadden gewoond, ja met Koudum als 't ware
saamgegroeid waren. 't Waren zusters, in dit opzicht Maria en
Martha gelijk, dat de oudste altijd in de weer was en de ander
een zittend leven leidde. Ze behoorden tot de aristocratie van
de streek. Het was een genot ze te hooren vertellen van oude
tijden en vroegere dorpsbewoners, ook van de deftige, Friesche
families; want beiden waren gezegend met een scherpe
opmerkingsgave en een goed geheugen. Nu waren ze oud. Haar
gezichtskring werd steeds beperkter. Die ging ten leste niet
verder dan de grenzen van het dorp: Maar van alle kleine en
groote evenementen in het dorpsleven wilden ze dan ook goed op
de hoogte zijn. Deze dames bezaten vele deugden; haar
nieuwsgierigheid kan ik daaronder evenwel niet rekenen; die was
grenzenloos. Ziedaar de kwelling en het gevaar wanneer ik bij ze
op bezoek ging. En 't paste toch niet deze dorpsmogendheden te
verwaarloozen. Veel stuurmanskunst was noodig om hier de klippen
te ontzeilen. Ze wilden zoo graag het naadje van de kous - en
wat voor 'n onbeteekenende kous was 't tusschenbeiden - weten en
wie was beter op de hoogte dan de man die overal kwam. Dan
konden ze meer dan vrijmoedig wezen in haar vragen en peilen.
Dat was het hangijzer. Niettemin heb ik veel interessants van
deze gemeenteleden gehoord en... gezien. Want haar huis was een
museum gelijk. Haast alles wat ze bezaten, was antiek; de stoel
waarop ik zat, de kopjes waarin de thee gepresenteerd werd, de
klok, die mij vertelde hoe laat 't was. Een enkele maal
vertoonden ze hare schatten. Een volledig eetservies, oud-blauw,
van meer dan honderd stuks, was wel een van de rijkste
bezittingen in deze betrekkelijk eenvoudige woning. Helaas, toen
de dames overleden waren, enkele jaren na mijn vertrek naar
Amsterdam, kon ook van haar bezit gezegd worden: "men
brengt met zorg bijeen alwat op aard begeerlijk schijnt; en
niemand is verzekerd wie eens al die goederen naar zich nemen
zal". De familieleden hadden liever geld en de antiquairs
uit Sneek en Amsterdam maakten een goeden dag. Zoo gaat de
wereld voorbij met hare begeerlijkheid en komen wij altijd weer
tegenover de waarheid, door ons menschen maar niet aanvaard,
"want beter dan dit tijdlijk leven is Uwe
goedertierenheid ".
Maar genoeg van de kleine moeilijkheden die zich konden voordoen
op huisbezoek. Ik heb in Koudum veel eenvoudig, maar oprecht
geloof ontmoet. Daar staat mijn vriend Visser voor mij. Hij was
ook visscher en woonde vlak bij de Galamadammen, die de Fluessen
van de Morra, twee uitgestrekte plassen in den Zuid-West-hoek,
scheiden. In weelde leefde men daar niet; de palingvisscherij,
eenmaal bron van rijke inkomsten in dit merengebied, was aan het
tanen. Maar men leefde er met de kinderen in de vreeze des
Heeren. Dat is ook weelde. Eens vroeg mij zijn vrouw: „domeny,
is it nou nedich det myn man jouns 'n hjel ure foar de stoel
leit to bidden; hy wirdt er sa kâld fen; 't is for syn
rimmetiek sa sljucht". (dominee, is het nu noodig dat mijn
man 's avonds een half uur voor den stoel ligt te bidden; hij
wordt er zoo koud van; 't is voor zijn rheumatiek zoo slecht).
Een gewetensvraag. Onze vriend gedacht in zijn avondgebed niet
slechts vrouw en kroost, maar ook zijn leeraar, de gemeente en
haar zieken; ja wie nog meer? Een bidder. Een visscher dien de
Heiland, had hij in Zijn dagen geleefd, als discipel even goed
had kunnen gebruiken als Hij er Petrus en Johannes, ook
visschers, voor uitkoos. Meer dan eenmaal wandelde ik dit
bescheiden woninkje voorbij; maar steeds groette ik in gedachten
met diepen eerbied het echtpaar dat daar woonde. "Menschen
in de schaduw", zou mijn collega Hoek zeggen. Ja, maar nu
staan ze voor den troon in het volle licht van Gods
Heerlijkheid.
OPENBAAR DEBAT
't Was in November 1913, dat ik den beroepsbrief naar Amsterdam
ontving. Onvergetelijk vooral om wat er den vorigen avond in het
dorp was voorgevallen. Behalve dat we op onze afdeeling der
Confessioneele Vereeniging de Geloofsbelijdenis in 37 artikelen
onderzochten en bespraken, had ik in den winter van 1912 op '13
voor mijn arbeidende bevolking zes lezingen of wilt ge
onderlinge besprekingen over het sociale vraagstuk en de
Sociaal-democratie gehouden. Dit was hard noodig, omdat de
sociale toestanden in het dorp nu juist niet rooskleurig waren
en een zekere arbeider aan de zuivelfabriek uit het Noorden
gekomen, onder mijn duiven trachtte te schieten. D.w.z. hij
trachtte een afdeeling van de S. D.A.P. te importeeren. Voor
deze avonden was veel belangstelling geweest. Ze hebben ook goed
gewerkt; mijn opvolger kon op dezen grond voortbouwen en een
afdeeling van den Chr. Werkmansbond oprichten. Dit alles was
natuurlijk niet naar den smaak van het handjevol Socialisten.
Dan gaat men over tot den aanval. In het najaar kreeg ik een
officieel schrijven der afdeeling, waarbij ik uitgenoodigd werd
tot openbaar debat met een hunner voormannen, het Tweede
Kamerlid Ds. v. d. Heide. 'k Wil wel bekennen, dat toen ik den
brief had gelezen, ik op den grond stampte en bij mijzelf zei:
"Verdraaid, waarom laten die kerels mij niet met
rust". Een menschelijke opwelling. 'k Had nog nooit zoo
iets bij de hand gehad en was er dus allerminst op gebrand met
een gewiekst debater als genoemde heer in het strijdperk te
treden 't liefst had ik geschreven, dat ik mij daartoe niet
verleende. Doch dat vond ik klein. Wie a zegt, moet ook b zeggen
Dus schreef ik, na alles rustig overdacht te hebben, dat ik
aannam. In de dorpsherberg aan het water, een oud karkas maar
met de ruimste bovenzaal die op het dorp was, zou het duel
plaats hebben. Ik vroeg evenveel spreektijd als mijn partner
en... de helft van de entreegelden. Wijselijk voegde ik er
meteen bij, dat ik ze bestemmen zou voor een weduwe die het met
haar kinderen hard noodig had. De zaak werd beklonken en de
avond brak aan.
Zoo’n vergadering is er, althans in de vijf jaren van mijn
verblijf in Koudum, niet geweest. Heel het dorp was present. Ook
uit Molkwerum, Hindeloopen en Stavoren waren ze opgekomen. Toen
ik tegen achten aankwam, stond een dichte menigte voor de
herberg, teleurgestelde zielen. Op de trap naar boven zaten de
menschen opgepropt tegen elkaar aan. Ik moest mij naar boven
wringen. Gij begrijpt dus hoe 't in de opperzaal zelf was, een
kluwen menschen. Er kon geen kip meer in. Naderhand hoorde ik,
wat ik gelukkig op het oogenblik zelf niet wist, dat onze
herbergier, bevreesd dat de vloer 't wel eens begeven kon, uit
voorzorg stutbalken onder zijn bovenverdieping had laten
plaatsen. Gelukkig zijn we niet met elkaar door den vloer
gezakt, zooals dat eens de ervaring is geweest van een
Tweede-Kamerlid die in een Brabantsch dorpje spreken kwam over
het Roomsche gevaar.
Over de vraag of een Christen Sociaal-democraat kan zijn, hebben
we dien avond met elkaar de degens gekruist. Eerst de
socialistische spreker een uur; daarna ik; toen hij weer een
kwartier, ik eveneens; het slotaccoord verbleef aan Ds v. d.
Heide. 't Werd tegen half twaalf, voordat we uiteengingen. Een
avond van spanning en inspanning. Ge begrijpt dus, hoe het den
volgenden morgen een opfrisschende tijding was dat Amsterdam mij
had beroepen. Uitstekend middel om weer op gang te komen.
Met dit beroep heb ik weinig moeite gehad. Al herhaalde malen
was men om mij doende geweest. Een beroep naar Arnhem had ik
bijna aangenomen. Nu Amsterdam. Ik begreep, dat wanneer ik mijn
verderen ambtstijd niet in het dorpsleven slijten wou, het nu
mijn tijd was om te gaan. Ik ben onder Gods leiding gegaan en
heb er tot op dezen dag geen spijt van gehad. Ik nam aan. Den 8e
Maart 1914 preekte ik afscheid. Colossensen 3 : 16a: "Het
Woord van God wone rijkelijk in u, in alle wijsheid", was
de tekst. Ik zou stadsdominee worden. Toen besefte ik minder dan
nu welk een dierbaar ding ik op Frieschen bodem achterliet: het
voorrecht z'n gemeente te kennen, en niet slechts in naam, maar
metterdaad van een gemeente, d.i. gemeenschap, leidsman, herder
en leeraar te mogen zijn.
Hiermee besluit ik dan mijn pastorale herinneringen uit den
tijd, dat ik het voorrecht had dorpsdominee te zijn. Van
wereldschokkende gebeurtenissen op kerkelijk gebied,
Siciliaansche vespers en Parijsche bloedbruiloften, van
brandstapels en concentratiekampen, broodroof en gevangenisholen
heb ik u niets behoeven te vertellen. 't Was al vrede en rust
wat de klok sloeg. Gelukkige tijd! Was het Montesquieu niet die
schreef: "Gelukkig het volk, welks geschiedboeken niets
behelzen"?
|
|